Historisch fort Erfprins

Luchtdoelpresentatie Marinekazerne Erfprins 

1951-1995  

Rob de Heer

Vele inwoners van Den Helder en Huisduinen zullen zich ongetwijfeld de periode herinneren waarbij een ‘Spitfire’, ‘Harvard’, ‘Grumman Tracker’ of ‘Mitsubishi MU-2F’ met een sleepzak (manche) vanuit zee richting Kaaphoofd vloog om vervolgens ruim na het passeren van Marinekazerne Erfprins rechtsom te draaien en dit gedurende een aantal uren te herhalen. 


Dit alles had te maken met de luchtdoelschietoefeningen vanaf het schietemplacement Zeefront van MK Erfprins welke in de periode 1951 t/m 1985 plaatsvonden. Het geronk van het vliegtuig werd met bepaalde regelmaat overstemd door kanon en mitrailleur schoten wanneer vanaf de brug op het schietemplacement Zeefront het sein “vuur openen, richten op de manche” werd gegeven.   


Koninklijke Luchtmacht

De luchtdoelpresentatie voor het schietemplacement Zeefront van Marinekazerne Erfprins werd vanaf oktober 1951 verzorgd door de Koninklijke Luchtmacht middels een manche welke werd gesleept door een vliegtuig van het type 

‘Meteor F MK-4’ die reeds van de organieke sterkte was afgevoerd.

De luchtmacht stelde vaak andere prioriteiten zodat ze geregeld niet op kwamen dagen. Het werk werd uiteindelijk uitbesteed aan het bedrijf ‘Schreiner Aero Contractors N.V.’ uit Den Haag. Dit bedrijf welk opereerde vanaf vliegveld ‘De Vlijt’ op Texel, gebruikte verschillende soorten toestellen zoals de ‘Messerschmidt ME-108’ (Taifon) en een tweemotorige ‘Fokker S13’. Zij gebruikten hetzelfde type manche (sleeve target) als de Luchtmacht.


Schreiner Aero Contractors N.V.

In 1953 stootte de Luchtmacht de luchtdoelpresentatie geheel af naar ‘Schreiner’ die hierdoor genoodzaakt was haar luchtvloot uit te breiden met vier ‘Spitfires’ welke in de periode september 1954 tot januari 1958 werden gehuurd van de Luchtmacht. Uit veiligheidsoverweging werden de ‘Spitfires’ in een heldere oranje kleur gespoten en kregen een civiel registratienummer wat op de vleugels en staartvlakken werd aangebracht.

Na een aantal crashes in de periode september 1956 tot augustus 1957 welke gelukkig allemaal goed afliepen verklaarde de Rijksluchtvaartdienst de ‘Spitfires’ te oud om er nog langer verantwoord mee te kunnen vliegen. De ‘Spitfires’ kregen in het najaar van 1957 een vliegverbod opgelegd.

North American AT-16 Harvard 11/B

De ‘Spitfires’ werden opgevolgd door de ‘North American AT-16 Harvard 11/B’ welke door ‘Schreiner’ van de Luchtmacht werden gehuurd. 

Deze ‘Harvards’ met de registratienummers B-16 en B-57 hebben tot 1 januari 1965 voor zowel de Marine als Landmacht gevlogen als doelsleper tijdens luchtdoelschiet-oefeningen en tijdens richt en trackoefeningen.

Een groot nadeel van het vliegen met bemande toestellen was het tijdverlies. Wanneer de manche werd afgeschoten of de sleepkabel werd geraakt was dit weliswaar goed voor het moreel, maar het gevolg was dat het vliegtuig terug moest keren naar vliegveld ‘De Vlijt’ op Texel om een nieuwe manche op te pikken.

Het gevolg hiervan was een tijdsverlies van zo'n 1,5 uur alvorens er weer een doel gepresenteerd kon worden.

Voorts betekende een sleeplijn van 1000 tot 1200 meter nylon kabel, afhankelijk van het type wapens waarmee werd geschoten, dat het vliegtuig zeer ver uit moest vliegen om vervolgens een grote bocht te kunnen maken met als doel weer recht in de aangewezen schietsector uit te komen. Het interval tussen twee schietruns was dan ook groot en gaf veel tijdverlies. In mijn herinnering lag de aanvliegroute voor de schietsector van MKERF in de lijn kaaphoofd en de radartoren op het schietemplacement Zeefront waarbij pas het vuur mocht worden geopend ná verkregen toestemming vanaf de brug en pas nadat het vliegtuig zich boven het schietemplacement bevond.


Schietsector

De schietsector, zie gearceerde gedeelte op bijgevoegde kaart, is begrensd tussen de kaarthoeken 337⁰ en 265⁰ met respectievelijk een hoogte en dieptebegrenzing van 10 en

20 km. In de schietsector ligt de zandplaat Noorderhaaks bij Nieuwediepers beter bekend als ‘Razende Bol’. Aangenomen mag worden dat zich op deze plaat munitie restanten bevinden.‘Schreiner Aero Contractors N.V.’ heeft zich buiten genoemde manche vluchten ook intensief beziggehouden met het presenteren van een luchtdoel tijdens richt- en trackoefeningen (1) vanaf het schietemplacement ‘Zeefront’, wat destijds een vast onderdeel vormde van de kanonniersopleiding.

Een ‘AT-16 Harvard 11/B’ welke op zeer geringe hoogte vanuit de richting Noorderhaaks opdook,  zich zigzaggend tussen een aantal viskotters door manoeuvreerde en vervolgens net over de oude zeewering en het daarachter gelegen schietemplacement Zeefront scheerde was in die tijd heel gewoon.

Het meeste indruk op mij maakte destijds een ‘Harvard’ welke vanuit de richting Kaaphoofd opdook en op geringe hoogte, evenwijdig aan de oude zeewering en het schietemplacement voorbij scheerde richting toenmalig weerstation ‘de Windwijzer’. De kanonniers in opleiding in totale verbijstering achterlatend…!  


Noot:

(1) Bij richt oefeningen wordt een geschutsopstelling visueel handmatig op het doel gericht en bijgestuurd. Bij richt- en trackoefeningen vindt dit doorgaans plaats door middel van een geautomatiseerd vuurleidingssysteem met geïntegreerde zoek- en volgradar. 

De geschutsopstelling stuurt hierbij zowel verticaal als horizontaal automatisch bij en blijft op het doel gericht totdat deze buiten het bereik van de vuurmond komt. Bij richt- en trackoefeningen wordt niet geschoten.

Marineluchtvaartdienst

Als gevolg van de beëindiging van bemande luchtdoelpresentaties door ‘Schreiner Aero Contractors N.V.’ per 1 januari 1965, werden deze activiteiten vanaf genoemde datum verzorgd door de Marine Luchtvaartdienst (MLD). Dit vond plaats middels een viertal ‘North American AT-16 Harvard 11/B’ vliegtuigen welke 'om niet' van de Koninklijke Luchtmacht werden verkregen. Deze vliegtuigen werden ingedeeld bij VSQ 9 op Marinevliegkamp De Kooy (MVK).

Na genoten opleiding, waarnaar verluidt ‘Schreiner Aerocontractors N.V’, een belangrijk aandeel in heeft gehad, werd het vliegend personeel van genoemd squadron belast met doelpresentatie.

Bij het opstijgen vanaf MVK De Kooy ging de kist alleen de lucht in om vervolgens laag over de grond scherend de sleeplijn met manche op te pikken en tenslotte spiraalsgewijs omhoog te klimmen. Feitelijk gezien dezelfde methodiek welke ook bij de luchtreclame wordt toegepast. Uit veiligheidsoverweging werd na beëindiging van de schietoefening de manche met daaraan de nylon sleeplijn van 1000 tot 1200 meter afgeworpen boven de Texelhors bij het toenmalige Amfibisch Oefenkamp Texel (AOT) thans bekend als ‘Joost Dourleinkazerne’.


Ongeval 

Op 3 maart 1966 vond er een noodlottig ongeval plaats met de Harvard “044” (ex B-57).

Bij een (te) lage scheervlucht boven de Texelhors werd op de grond de LTZ-vlieger 3e klasse KMR G.H. Visser dodelijk geraakt.

Het toestel wist beschadigd een noodlanding op MVK De Kooy te maken, maar moest worden afgeschreven. Gedurende 1967 werden geen manchevluchten uitgevoerd wegens werkzaamheden op de Texelhors.

Pas in maart 1968 werden de manchevluchten met de ‘Harvard’ vanaf MVK De Kooy hervat. De laatste ‘Harvard’ is in 1971 van de sterkte afgevoerd. Ik weet niet of het ongeval van 3 maart 1966 in het besluit van de Marineleiding is meegenomen om de luchtdoelpresentatie in het vervolg uit te laten voeren met de ‘Grumman Tracker’ hieraan heeft bijgedragen. 

De drie ‘AT-16 11/B Harvards’ (043-098 en 099) zijn in de periode 1969 t/m 1971 van de sterkte afgevoerd en verkocht. 


Grumman-Tracker

Vanaf 1965 werd de luchtdoelpresentatie voor het schietemplacement Zeefront eveneens verzorgd door VSQ 4 vanaf Marinevliegkamp Valkenburg met de ‘Grumman Tracker S2-A’ waarbij een dartvormige manche werd voortgesleept. De ‘Tracker’ had als groot voordeel dat de manche werd bediend middels een lierinstallatie.

Vanaf mei 1971 werd er gevlogen met ‘Trackers’ van het type S2-N met de registratienummers 151-159-160 en 168. Deze omgebouwde S2-A's waren speciaal voorzien van een Delmar luchtdoelsleepinrichting. 

Deze installatie had als groot voordeel dat men minder ver uit moest vliegen bij het omdraaien. Als gevolg van het uitfaseren van de ‘Tracker’ hetgeen reeds in 1971 in gang was gezet kwam er ook een eind aan het tijdperk van de ‘Tracker’ als luchtdoelsleper. De laatste vlucht met de ‘Grumman Tracker S2-N’ "159" vond plaats op 30 september 1975. 

Als gevolg hiervan zag de Marine zich genoodzaakt een alternatief te zoeken.

Swedair Ltd

In 1975 werd het Zweedse bedrijf ‘Swedair’ gecontracteerd voor het verzorgen van de sleepvluchten. De luchtdoelpresentatie werd uitgevoerd met behulp van een ‘Mitsubishi MU-2F’ die was voorzien van een sleeve target en 'Miss Distance Indicator' (MDI). Deze voorziening voorziet in de mogelijkheid om enkele schoten of een reeks schoten welke in een bepaald gebied van het doel passeren te registreren, op te slaan en/ of terug te zenden naar de vurende eenheid. Het personeel van ‘SWEDAIR Ltd’ arriveerde gewoontetrouw met de ‘Mitsubishi’ in de loop van de maandagochtend op MVK De Kooy om vervolgens vrijdag in de namiddag weer terug naar Zweden te keren. Het personeel werd ingekwartierd op

MVK De Kooy. 

GAU-EX83 wapensysteem

Wat veel inwoners van Den Helder en Huisduinen het meest is bijgebleven zijn de indrukwekkende schietproeven in 1979 met het ‘GAU-EX83’ wapensysteem met een vuursnelheid van 4200 schoten per minuut.

Destijds werd er als gevolg van tijdsdruk zelfs tot in de vooravond en op zaterdag geschoten waarvoor door B&W van Den Helder speciaal vergunning was verleend. 

Het project werd op 13 november 1979 ten overstaan van een groot aantal genodigden uit de Nederlandse krijgsmacht afgesloten met de zeer succesvolle demonstatie ‘Shortstop’. Op YouTube is een interessant filmpje te zien met zeer herkenbare Helderse beelden: https://youtu.be/s6vUjzJPnbw

De ‘GAU-EX83’ was de voorloper van het huidige in gebruik zijnde ‘SGE-30- Goalkeeper Close-In Weapon System’ (CIWS) welke in 1989 bij de Koninklijke marine zijn ingevoerd. 


Skyline Aviation B.V.

Als gevolg van de contract beëindiging met het Zweedse ‘Saab Nyge Aero AB’, welk begin jaren tachtig het eerdergenoemde ‘SWEDAIR Ltd’ had overgenomen zag de Marine zich genoodzaakt een andere contractant te zoeken voor het presenteren van een luchtdoel. De Marine sloot een contract af met ‘Skyline Aviation B.V.’ van voormalig marinevlieger Alexander van Hoevell wat destijds op Den Helder Airport was gevestigd. Het contract betrof uitsluitend presentatie van een luchtdoel tijdens richt en trackoefeningen vanaf het schietemplacement Zeefront met een ‘Yak-54’. ’Skyline Aviation B.V.’ beschikte reeds over een contract met de Marine voor manche en trackvluchten met een ‘Learjet A36’ en ‘Mitsubishi MU-2J’ voor Groep Escorte Schepen-eenheden (GES-eenheden).   

Alternatief 

Ik weet niet precies wat de directe aanleiding voor de Marineleiding in of omstreeks 1985 is geweest om de luchtdoelpresentatie met vliegtuigen voor het schietemplacement Zeefront te beëindigen.

Persoonlijk denk ik dat het beëindigen van de kanonnier opleiding en de uitfasering van het dienstvak bijzondere diensten geschutkonstabel (BDGSK) hiertoe heeft bijgedragen. Ook zal het kostenplaatje hierin ongetwijfeld hebben meegespeeld.

In de tweede helft van de jaren tachtig ontstond er door een ander opleidingsbeleid weer behoefte aan een alternatief luchtdoel waarop daadwerkelijk kon worden geschoten. 

Dit alternatief werd gevonden door met het kanon van 7,6cm S-AUT Nr. 3 met behulp van luchtdoel schietoefen (LDSO) patronen een springpunt te leggen. Op genoemd springpunt, in feite niets meer dan een antracietgrijs rookwolkje, werd vervolgens door de overige ingedeelde kanons en mitrailleurs geschoten.  

Een groot nadeel was dat het springpunt door de invloed van de wind vrij snel uiteen werd gedreven.


Speciale munitie

De Marine beschikte destijds reeds over 76,2mm luchtdoel schietoefen (LDSO) patronen die waren uitgevoerd met een mechanische tijdbuis type S30 maar waarvan het temperen binnen de Marine als zeer gebruiksonvriendelijk werd ervaren. Bovendien werd de zichtbaarheid van het springpunt als ontoereikend ervaren. Besloten werd de Munitie Technische Werkplaatsen (MTW) opdracht te geven tot het aanmaken van een nieuwe partij LDSO patronen in een nieuwe configuratie waarbij de granaat MK33 Mod.0 en schokversterker MK54 Mod.1 van Amerikaanse en de buis tijd-schok mechanisch Nr. 42 (BTSM) van Zwitserse origine als basismateriaal moesten dienen.

Alvorens tot de juiste samenstelling van de explosieve inhoud van de granaat te komen hebben er een serie proefnemingen plaatsgevonden op het Marine schietterrein te Petten.

In eerste instantie had men vanuit MK Erfprins de wens geuit dat er behalve een rookwolkje ook een lichtflits waarneembaar moest zijn. Als gevolg van deze wens hebben er diverse experimenten plaatsgevonden met granaten waarbij de hoofdlading bestond uit een pyrotechnisch mengsel van tetryl en magnesium en uit zwartbuskruit met magnesium.

Als referentie werden granaten gebruikt die alleen waren voorzien van een zwartbuskruit lading. Toen MK Erfprins de wens voor een lichtflits liet vallen is naar aanleiding van de beproevingsresultaten en uit kostenoverweging besloten de granaten uitsluitend te voorzien van 75 gram zwartbuskruit Nr.4 opgesloten in een kardoeszijden zakje.

Tevens werd de aanwezige tetryl-lading in de schokversterker MK54 Mod.1 vervangen door een lading van geperst zwartbuskruit. 


Het Magazijn voor Munitie der Marine (MUNMAG) in Nederland alsmede het werkvoorraadmagazijn van de Munitie Technische Werkplaatsen beschikten destijds over voldoende voorraden om een periode van minimaal vijf jaar te kunnen overbruggen met 

LDSO-patronen in de nieuwe configuratie.

Rocketsystemen

In 1990 moest de Marine als gevolg van het opraken van de benodigde munitiecomponenten voor het laboreren van 76,2mm LDSO-patronen opnieuw uit gaan kijken naar een alternatief voor het presenteren van een luchtdoel bij schietoefeningen.

Na een aantal proefnemingen waarvan de eersten nogal wat te wensen overlieten werd in 1991 besloten tot aanschaf over te gaan van de 'Rocket 51mm Parachute Illuminating' van de Engelse firma 'Pains Wessex'. Tevens werden een drietal bijbehorende lanceerinrichtingen aangeschaft welke van origine bedoeld waren voor plaatsing op een voertuig. 

De raket met een brandtijd van 30 seconden kon onder 32º elevatie over een afstand van

900 meter worden verschoten waarbij een hoogte van 250 meter werd bereikt.

Het gebruik van de raket had als groot nadeel dat ze uitsluitend bij aflandige wind konden worden ingezet. Het risico dat ze bij zeewind en het niet goed functioneren van de parachute brandend de grond zouden bereiken was te groot. Bovendien hadden de raketten als nadeel dat ze mede onder de invloed van wind vaak een onvoorspelbaar vluchtgedrag vertoonden zodat ze met bepaalde regelmaat naast de vrije schietsector terecht kwamen. De raketten hadden als gevolg van de aanwezigheid van pyrotechnische stoffen bovendien een beperkte levensduur.

In een later stadium zijn de raketten vervangen door de 'Horizon' een soortgelijk product van de Zweedse firma 'Hansson Pyro Tech AB'. 

Deze ‘Rocket, Illumination’, die middels de lanceerkoker uit de hand wordt afgevuurd kan een maximale hoogte bereiken van maar liefst 1000 meter. De brandtijd van de flare bedraagt 30 seconden. 

De ‘Horizon’ was binnen de Marine geen onbekend product aangezien hij destijds reeds in gebruik was bij de Kustwacht op Aruba en Curaçao. Ook deze raketten bleken helaas een onvoorspelbaar vluchtgedrag te vertonen wat voor luchtdoel gebruik als onacceptabel werd beschouwd.




Einde

Naar verluidt vinden er als gevolg van een andere zienswijze sinds 1995 vanaf het schietemplacement 'Zeefront' op MKERF geen luchtdoel schietoefeningen meer plaats. 


 

Daarna zijn sinds 2008 de zeedoel schietoefeningen met de mitrailleur 

.50 Browning HB gestaakt.


Share by: